• Ik ben het werk in wording,
    en de werker die werkt.

    Wat ik met mijn handen vorm,
    vormt ook mij.


  • Ik kies mijn ware werk.
    Ik hoef het niet meer te forceren.
    Mijn ziel kent haar ritme, en ik mag daarin rusten.
    De deuren die ik sluit, zijn geen verlies.
    Ze zijn een daad van liefde voor wie ik geworden ben.
    Ik kies niet langer voor wat me verstikt,
    zelfs niet uit angst, zelfs niet uit nood.

    Mijn ware werk is geen job.
    Het is de ruimte waarin mijn ziel mag spreken,
    ademen, luisteren en creëren.
    Ik weet nog niet welke vorm het zal aannemen.
    Maar ik weet dat het leven zal geven
    aan mij, en aan wie ik mag aanraken met mijn woorden,
    mijn aanwezigheid, mijn weten.

    Ik koester deze overgang naar mijn ware werk.
    Ik ben niet te laat.
    Ik ben niet te vroeg.
    Ik ben precies op tijd.  

  • Dat ze geen afstammeling is van de meest zelfbewuste soort blijkt uit het resem coup-de-foudres die haar elk op zich wel gelukkig maakte, tot elk van hen zich meester over haar maakte. Zo was er de werkverslaving, de plantenobsessie, de boekenmanie, de glas- en kristalpassie, de steen- en mineraaladoratie, en ga zo maar door. Wetende dat ze met haar man op een klein appartement woont, is het wellicht overbodig te vermelden dat er in hun garage geen plaats was voor een auto.
    De vonk van bewondering, aangewakkerd door haar nieuwsgierigheid, deed haar alles verslinden wat met het object van haar verlangen te maken had. En haar speurneus wist steevast nieuwe vertakkingen of varianten bloot te leggen. 
    Ze ging letterlijk en figuurlijk gebukt onder de stenen, haar woonkamer was een jungle waar kinderen verstoppertje speelden, en wanneer haar ogen over de oneindige rijen ongelezen boeken dwaalden, voelde hun eenzaamheid en haar schaamte als een papercut. 

    Maar in tegenstelling tot passie, welke ontspruit in het hart en dus leeft van de liefde, kan obsessie niet teren op vuur en lucht alleen. Het vergt karrevrachten brandhout om zo’n inferno gaande te houden. Bij elke obsessie of nieuwe stiel rooide ze ganse hectaren van haar lijf. En daar begon het na 35 jaar roofbouw en 0 jaar bosbeheer te sputteren. Haar natuurlijke bronnen waren uitgeput. Zelfs de vraag van welk hout pijlen te maken, kon ze niet meer stellen, er was geen twijgje meer te bespeuren. 

    Het was in díe braakliggende staat en op dát wanhopige moment dat het haar begon te dagen: het had al jaren niet meer geregend en de natuurlijke stroom van emoties was onderbroken. Daar waar ooit een gezonde kolkende rivier vol glinsterende vissen het land van water had voorzien, rees er nu een reusachtig betonnen shoppingcenter. 
    Met lede ogen zag ze hoe datgene waarvan ze altijd overtuigd was geweest dat het haar geluk zou brengen, erkenning en het gevoel ergens bij te horen, haar innerlijke bron had drooggelegd.  
    Ze voelde hoe de zoute waterlanders zich piekend een weg baanden over haar schilferige wangen. Eindelijk waren de dammen gebroken. 

    Vele regenbuien later priemden de eerste grassprieten uit de nog wat gebarsten aarde. Met kinderlijke verwondering staarde ze naar het ontluikende leven. Ze kon nu zelfs gelukkig zijn om de destructie van voorheen, want het was in die verschroeide aarde dat de potentie van dit nieuwe leven besloten lag. 
    Dat besef, dat er zelfs geluk verscholen ligt in het destructieve, geeft haar het geloof dat er in alles geluk te vinden is, al is het maar een grassprietje groot. 

  • Ben jij dat, mijn liefste? 
    Ben jij die helblauwe plek 
    in het duister? 
    Wanneer gaat jouw Licht aan? 
    Een baken van warmte en hoop
    badend in gouden dauw.
    Verrijkend,
    zo ver reikend als de horizon.

    Doof het scherm
    dat enkel jouw lede ogen belicht.
    En houd de waarheid daar
    waar licht haar niet beschijnen kan. 
    Laat haar stralen, 
    puur en uit zichzelf.
    Laat haar leiden,
    jouw hoofd en jouw hart. 


  • DE ROEP

    Er is een terugkeer gaande.
    Geen religie, geen ideologie, maar een herinnering.

    Een herinnering aan wat we lang geleden moesten vergeten:
    dat zachtheid geen zwakte is,
    dat vuur geen gevaar is,
    dat waarheid niet gecensureerd moet worden om liefde te verdienen.

    Het vrouwelijke keert terug.
    Niet als gender, maar als frequentie.
    Niet als hiërarchie, maar als heiligheid. 
    In lichamen, in stemmen, in de manier waarop we kiezen te léven.


    DE WONDE

    We hebben haar allemaal moeten verbergen:
    in onszelf, 
    in elkaar, 
    in onze systemen.
    We hebben haar ingeslikt om te overleven.
    We hebben haar afgesplitst, bespot, gedimd, vergeten.

    We noemden haar irrationeel.
    We noemden haar hysterisch.
    We noemden haar zwak, gek, teveel.

    Maar ze is nooit weggeweest.
    Ze heeft gewoon gewacht,
    tot we klaar waren om haar opnieuw te dragen.


    DE TERUGKEER

    Ze keert terug in elke stem die haar waarheid spreekt,
    ook als die trilt.
    In elke grens die getrokken wordt,
    ook als de hand beeft.
    In elk lichaam dat durft aanwezig te zijn,
    ook als dit angst geeft. 

    Ze keert terug 
    in jou,
    in mij,
    in ons.
    In het moment waarop jij zegt:
    “Ik kies niet langer voor overleven.
    Ik kies voor léven, met alles wat ik ben.”


    DE REVOLUTIE

    De revolutie waar we op wachtten,
    is geen oorlog.
    Ze is een herinnering,
    een thuiskomst,
    een collectieve ademhaling.

    Ze is de zachte kracht die weigert te verdwijnen.
    De vurige liefde die niet meer zwijgt.
    De rauwe waarheid die zichzelf terug claimt — in schoonheid én schaduw.

    En zij die haar durven dragen,
    worden het licht.